De oceaan spreekt
We hebben in de haven van Teesport containers gelost en geladen. Daarna weer verder, bestemming Reykjavik. Een deel van de reis voert langs de oostkust van Groot-Brittannië. Ik zie in de mist de Shetland eilanden in de verte opdoemen. Ook die laten we achter ons. De reis gaat vanaf nu over de Atlantische Oceaan. Een grote vlakte van water, geen land meer te zien.
De volgende dag, het weer is veranderd. Er zijn witte kopjes op de golven verschenen. Het immense oppervlak golft om ons heen, het schip deint op en neer. De horizon, de lijn die lucht en water scheidt, onbewogen in de verte. Ik sta binnen op de brug van het schip, kijk gefascineerd door de ruit naar het watergeweld bij de boeg van het schip. Dan zet ik de zoomlens op mijn spiegelreflex camera, ik wil buiten op de brug gaan staan om de ‘perfecte foto’ te schieten (voor de lezers van mijn blog ). Ik vraag aan de officier of ik naar buiten kan. Hij zegt dat het mag, maar alleen aan bakboord, de andere kant is te gevaarlijk. Te veel wind.
Om buiten te komen moet ik twee hendels, boven en onder, omdraaien en dan de robuuste deurkruk indrukken. Daarna de stalen deur open drukken. Ik ga in de gierende windstroom staan. Ik omarm een stalen pilaar, sta stevig vast. Minutenlang, de vinger op de ontspanknop, sta ik te wachten op dat ene moment dat het schip de neus nog dieper in de golven drukt. Klik! Ik maak de foto. De boeg komt omhoog, een wolk woest water spat uiteen om daarna als een grote witte waas terug te vallen in het deinende donkerblauwe water. Fantastisch! Ik voel de kracht van de elementen. Wind rukt aan mijn haren, striemt de huid van mijn gezicht. Water deukt in op het schip, beweegt mijn lijf op en neer.
Ik moet er wel bij zeggen dat ik blij ben dat mijn ‘systeem’ tot nu toe zeeziek proof is gebleken. (Zeeziek word je door de invloed op het evenwichtsorgaan in samenspel met het visuele systeem en de hersenen). Zeeziek zijn, toch minder sensationeel. Lijkbleek worden, misselijkheid, moeten overgeven. Ook moet ik erbij zeggen dat dit nog milde omstandigheden zijn. De golven zijn 2-3 meter hoog, in de wintermaanden kunnen ze 10 meter hoog worden.
The magic coffee machine & Toten Hosen
Het leven van een passagier aan boord volgt het ritme van ontbijt – lunch – avondeten. Ik heb gesprekken met de crew en de passagiers. Mijn favoriete plek: de brug van het schip. Turen naar de oceaan of kijken naar spel van het laden en lossen van containers in de haven.
We hebben allerlei gesprekken aan de eettafel in de officer messroom. Twee van die momenten:
Ik zit aan het ontbijt met de andere passagiers. Het is 7.00 uur (ship time). The magic coffee machine – er is 24/7 koffie – werkt weer! Hoor ik. Ik maak een dankgebaar naar de messman. Hij zegt dat het apparaat spontaan weer is gaan werken. Armin, een Duitse passagier, zegt: “gelukkig, nu kun je weer schrijven!” Ik, cafeïne junk, moet lachen.
Bij het avondeten vertelt Johannes, een Australiër, dat hij land heeft gezien. We zijn dus al bij IJsland. Hij is een soort van rondwandelende encyclopedie met veel interesses. We praten over van alles. Over de Romeinen die Engeland controleerden, maar het nooit is gelukt om de Schotten te onderwerpen (ze hebben later een muur gebouwd, de Muur van Hadrianus). Over de Vikingen die Engeland en het vaste land binnenvielen. Om te plunderen, maar ze deden ook – heel slim – aan handel. Hun schepen waren voor die tijd heel sterk en slim geconstrueerd. Over Australië, een land dat voornamelijk is opgebouwd door gevangenen die de Britten vanuit Ierland en hun eigen land vervoerden om daar te werken. Convicts, sommige crimineel, sommige opgepakt voor iets kleins. Johannes: “Maar de moordenaars, die gingen niet naar Australië, die werden opgehangen.” Het waren harde tijden, vroeger.
We vormen een internationaal passagiersgroepje. We eten samen, staan samen op de brug naar de oceaan te turen. Je leert mensen kennen met wie je anders niet in contact zou zijn gekomen. En je ontdekt dat je nog zo weinig weet. Midden op de oceaan is er nog een voordeel: er is geen internet. Geen afleiding, geen Google, geen AI. Gewoon met elkaar praten, over de geschiedenis, het varen op vrachtschepen, ouders, kinderen, wijn, bier, de Vikingen, de Romeinen en de band Toten Hosen.
Armin en ik hadden het over elkaars muzieksmaak. Of ik de Duitste band Toten Hosen kende? Nee, zei ik. De dode broeken, een band uit de jonge jaren van Armin. (Wij hebben een Nederlandse DJ die ook zo heet, makkelijk ezelsbruggetje toch?)
Safety instructions en sinaasappels
Sami, de tweede officier, neemt ons mee op een scheepstour. We hebben onze helm en safety jacket meegenomen. We gaan naar het A-deck om daar onze spullen aan te doen. Er zit een lampje op je jacket en een fluitje, vertelt hij, voor het geval je in het water belandt. Ik vrees dat, als ik in dit water terecht kom, ik direkt ondergekoeld ben. Einde oefening.
Sami vertelt: als je de toon 7 keer kort en een keer lang hoort, het noodsignaal, moet iedereen zich verzamelen op het A-deck. Daar zijn de safety boats. Twee opblaasbare live boats en een free-fall lifeboat. We gaan kijken bij die laatste. Dat ding heet zo omdat die vanuit de hoogte in het water wordt gelanceerd: free-fall. Iedereen heeft er een vaste plek met gordels, passagiers de plek met de ‘p’ als indicatie. Er is op deze reis geen safety drill, geen kans om daadwerkelijk in de oranje cocon te klimmen om te oefenen. Verder is er een aparte motorboot, die met een kraan op het wordt gehesen. Dit bootje wordt gebruikt om iemand die overboord is geslagen uit het water te wissen.
We vervolgen de tour. We lopen langs een gang met boven ons een lange rij hoog opgestapelde containers. Sommigen hebben een koelsysteem voor voedsel, zoals sinaasappels. Leeg gaan ze niet terug, dan gaat er vis – een export product van IJsland – in de koelcontainers. De onderste twee rijen containers, laat Sami zien, zitten vast met stalen staven aan het schip. We komen aan bij de boeg. We zien de kettingen waar het anker aan hangt, het zijn er twee. Elke schakel is van dik staal. Ongeveer 300 meter ankerkabel in totaal. Ik vraag of we met ruig weer op de boeg mogen. “Nee,” is het antwoord. “Veel te gevaarlijk!”
Hoe vaart het verhaal?
Het schrijven aan boord volgt een vast schema: een paar uur tussen de drie maaltijden en dan werken tot bedtijd. Er zit vaart in. In mijn verhaal wordt het leven op een toekomstig schip vertelt vanuit het perspectief van drie hoofdpersonages. Een van de hoofdpersonen heb ik op deze reis ‘ingeruild’ voor een ander, zo gaat dat. Een ingeving, een krachtige golf die mijn verbeelding opstuwt. Deze wending levert een beter verhaal op. Het is allemaal fictie, ik hoef gelukkig niemand te begraven*. Op het schip is de kapitein de baas, in dit verhaal ben ik dat. Deze twee weken durende schrijfretraite op een schip is productief gebleken. Typen op het ritme van de golven. Woorden, zinnen, verschijnen op het scherm.
In mijn volgende blog wil ik meer vertellen over de bemanning. We hebben prettige gesprekken, we hebben lol. Het zijn hardwerkende mannen, ze zijn ver van huis. Ik wil wat meer vertellen over het schip. Heel misschien – ik hoop – zie ik nog een grote bewoner uit het water opduiken: de walvis. De andere passagiers hebben een walvis gezien, ik was driftig aan het typen in mijn hut.
*Ik vraag het mij wel eens af: bestaat er zoiets als een kerkhof voor half geschreven verhaal karakters?




